is toegevoegd aan uw favorieten.

Ruth. in vier boeken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE BOEK. -69

„ 'k Zag gulle minzaamheid, bij 't vrolijk landvolk, leven,

Geen norfche geemlijkheiddeed mij voor weigring beven, „ Nauw had mij 't vriendlijk oog der maagdenrei gezien, „ Of 'k zag mij gul begroet, en hulp en vriendfchap biên.

„ Mijn vreemde tongval kost,wel draa, hun* aandacht wekken,

„ 'k Moest hen mijn vaderland, en wislend lot ontdekken; „ Dan 'k zag mij niet gefchuwt; neen 'k zag mij gul geroemt, „ 'k Had nauw uw lieve naam, mijn Moeder! hengenoemt,

„ Of 't landvolk riep verrukt: Zie dit ji Machlons gaede!

„ 'k Vergaarde 't vallend graan, ik vond bij elk genade,

„ De heete middag gloed der zon daalde op ons neer „ 't Van fap beroofde ftroö kaatfte al de ftralen weêr,

„ Wij moesten, voor een poos, het vlakke veld ontvlieden;

„ 'kZag mij de landtent tot een veilge fchuilplaats bieden, „ 'k Week, met de maagden hier, elk melde mij zijn lot, ,., Elk roemde Boas deugd, zoo mild, door Isrels Ged

„ Gezegent. Boas, (dus hoorde ik den landheer noemen,)

„ Mogt op het rijkst bezit der heerlijkste ervnis roemen, „ Hij was de toevlucht van verdrukte onnozelheid, „ De vriend der onfchuld, die hem om befcherming vleit."

I 3 Terwijl