Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIJSVAERZEN.

Pas dreef hij 't vrolijk vee aan den begraasden voet Van 'truig en fteil gebergt, of, langs een' heldren vloed, Of zag, hoe 't noodig waar, op uitgekoozen plekken Zich voor belediging van lucht en ftroom te dekken. De nood gaf toen de wet, die jongst de bouwkunst gaf. Een fcherpgewetten kei hieuw boom en takken af. — Een boom was de eerde zuil, die zich ter fchooring fchaarde; —» Dooreengevlochten riet, bedekt met leem en aarde, Verdrekte voor een dak; en, 't kunfteloos gedicht Was naar 't eenvouwig plan der nooddruft ingericht. — 't' Was mooglijk een Orkaan, die 'teerst een dulp deed dichten. Wie weet of zelfs geen dier, 6 mensch! u voor mogt lichten, Daar 't zijn gerust verblijf aan klaare droomen bouwt. — Een land- en waterdier, dat leem en jeugdig hout Naar graazige oevers voert, en, van gevlochte muuren Een geedig dijkjen vormt, dat vloeden kan verduuren En zijn' bewooner hoedt voor 't woedend droomkristal: Dit ruig en zeldzaam dier kon mooglijk, door zijn wal En nest, daar 's Bevers huid tot warmte en dienst moet drekken, In' t hart, voor 't eerst, de zucht tot orde en bouwkunst wekken; Zo wel, als 't bijtje, dat op bloem en geurig kruid, En wasch, en honig gaart, en van dien rijken buit Zijn zuivre korf vervult met welgefchikte raaten En, al de pligten volgt van vlijtige onderzaaten;

Gelijk

Sluiten