Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Gebeurtenisjen in 1787 enz. voorgevallen. 15

Heeren Edelen, zonder genoegzaame redenen, niet zouden kunnen confenteeren; welverftaande nogthands, dat, zoo in het Lid der Heeren Geëiigeerde Raaden, als in dat van de Ridderfchappe, geene anderen zullen mogen worden geëligeerd ofte befchreeven, dan die behoorlyk gequalificeerd, en daar voor by de gefamentlyke drie Leden van Staat gehouden worden , en erkend zyn.

Dat met opzicht tot de Vroedfchappen van de Stad en Steden, de Hèeren Edelen van gedachten zyn, dat, hoe zeer niet kauworden ontkend, dat de Stadhouders federt den jaare 1674 tot den jaare 1784 toe, in eene ongeftoorde posiesfie geweest zyn, ook van dé vervulling der tusfchentydfche vacatures, aangezien nogthands in het Reglement van den jaare 1674. daaromtrent geene precife bepaaliog gevonden word, dezen aangaande nadere fchikkingen kunnen worden gemaakt; verklaarende de Heeren Edeleo met genoegen te zullen zien, dat in die Steden, alwaar zulks zonder vreeze voor cabaaien en gediiurige commotien gefchieden kan» door de Magiftraaten met derzelver Burgeryen, op approbatie van de Staaten, zoodaanige arrangementen gemaakt en geapplaneerd worden, waar by de Nominatie ter vervullinge van de tusfchentydfche vacatures van Raaden ia de Vroedfchappe aan de Burgerye, de cognitie over de Qualificatie der genomineerde Perfoonen aan de IVjagiftraatea, en de Electie aan den Stadhouder gebracht worde; ende dat in zoodaanige Steden, alwaar die Nominatie zonder groote inconvenienten door de Burgerye niet zoude kunnen gemaakt worden, de aanftelling of door den Heer Stadhouder, volgens oud gebruik blyve gefchieden, ofte dat eene Nominatie, door de Regeering geformeerd, aan denzelven ter ElecHe worde toegezonden.

En belangende de aanftellinge van eenige Ambtenaaren der Provincie, by het Reglement van den jaare 1674 aan den Stadhouder, eedefereerd: hoe

zeer de Heeren Edelen gaarne erkennen willen, dat

eene

Sluiten