Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HELDENSPEL. 31

Maar vallende in den boot, gevoelde ik de oude fmart, Die ieder oogenblik mijn Overijsfelsch hart Tot felle wraake noopt, en met verfterkte kragten De heugenis vernieuwt van d'aakligst' aller nachten, Naa d'ijzelijken dag, toen Lodewijk beaweek, Die naauwlijks Alva's woede aan d'Eemerboord ontweek. Hoe lagen we op het veld, door kogels en door zwaarden Gefneuveld of gewond, door 't trapplen der paarden Vertreeden of verlamd. Hoe greep een Castiljaan (Ik voel den wreedaart nog) mijn pijnlijk lichaam aan, Schudde alles uit, en fprak; Kon ik uw' huid verkoopen, 'k Zou die u leevendig ten geuzenromp afftroopen. k Bid om den dood — hij lacht, daar hij mij van zich ftoot, En zegt-.Sterf hier door dorst en pijn den wreedften dood. Moet ik u, Heldenvolk, mijn borst vol wonden wijzen, Zal 't fpringtij uwer wraak in uwe boezems rijzen. Zaagt ge ooit mijn kreupelheid met traanen in het oog En heft in Brielle één huis den gevel nog omhoog. Hebtge ooit mijn fmart gezien, of't gaapen mijner wonden, En heeft het vuur der wraak de Stad nog niet verflondenLeeft nog één Briellenaar, die Phlips, die Alva mint. Gij zwijgt.—Slaat van der Marckmijn woorden in den wind. VAN DER MARCK.

pen.)

Neen! moedig Grijsaart, neen !Uw grootheid boeit mijn lip— Hoor 't hart van eiken Geus een heldenzucht ontglippen. Treslong, Treslong alleen! met zijnen Vriend de Ryk, Is u, is mij, is 't heir der Geuzen ongelijk. Zij aarzien jaaren fmarts op Spanjes hoofd te wreeken.'

DE

Sluiten