Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. ï?

ELFRIDE.

Uw min verhoogt mijn fchoon :

Het fpreid zich voor elks oog niet als voor't uw ten toon

Maar (lel dit eens; ben ik dan niet uw gemaalinne? Wie, wie ontrukt mij ooit aan hem dien 'keeuwig minne ? Geen mensen, geen Edgar zelf;hij is geen dwingeland; Hij is een vorst: hijzelf befcherme uw' huwlijksband.

ATHELWOLD.

Hij 's goed; maar niet altoos! Wat houdt de werking tegen Van 't lokaas, dat ons ligt tot wellust kan beweegen ? Ik ken maar al te wel het oogbekoorend' fchoon. Dit lokaas is 't dat hem van zijn' verheven troon Vaak tot de laagte trok: geen leeuw is meer verbolgen Dan Edgar, als zijn drift een fchoonheid durft vervolgen ; Geen wet, geen plicht, hoe hoog, hoe heilig voor't gemoed, Dien hij niet fnood ontè'ert, als hij zijn lusten voed. De non Ethida werd , zelfs door de heiige muuren Haars kloosters, niet befchermd, noch kon zijn magt vërduu* Hij roofde met geweld haar als een' vrijën buit. (ren. Graavin Matüda zelf, die jonge en eedle Ipruit, Zag zich door hem gerukt uit de armen haarer moeder. Wie toch kende ooit een' vorst,in 't (luk der min, verwoeder?

ELFRIDE.

Zie, lieffle graaf 1 daar koomt uw Edwin aan, misfehien....

B ACHT-

Sluiten