Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 37

fcliatte, vóór ik nog de eere had u perzoonlijk te kennen?

JOANNA.

liet is zonderling, heer Baron! dat wij vrienden waren, voor wij eikanderen zagen. Ik voor 't minfte ben lang uwe vriendin., doch onder beding, dat Sofia mij niet altoos van u een ideaal gefchetst heeft.

SOFIA.

Mijn lieve Baron! gij ziet in haar de altoos naïvc Joanna.

DE BARON EDUARD.

Ik waag het u te belooven, dat het u nooit zal berouwen uwe vriendin te hebben gelooft.

JOANNA.

Wee u! zoo gij met die belofte iets waagt.

DE BARON EDUARD. Maar, Sofie! uwe moeder...

SOFIA.

Zij weet nog niets. Ik weet niet, welke vrees...

ach ! Vrijdam! ■ ik heb reeds te lang ge-

zweegen.

DE BARON EDUARD.

In dén uur, Sofia! ben ik terug; dan zal de liefde onze ftemmen verëenigen; zij kent mij immers,- noemde ik haar niet altoos Moeder, en hoorde zij 't niet gaarne als ik ze zoo noemde?

C 3 so-

Sluiten