Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mylord Fortvel, of de

»» dl'g vu«r nog in zyne aderen gloeit; wanneer be„ koorlyke lippen van vyandfchap en deugd fpree-

ken, en wanneer eene doorfleepen' vrouw zich „ toelegt, om ons te bedriegen.V Dusdanig waren de klagten van Fortvel, wanneer hy beiloot, zich van een leeven te ontdoen, welk hem tot last. geworden was.

Fortvel hoorde de zagte ftem der natuur niet meer, zyn hart was vol menfehenhaat. Hy was reeds aan den oever van de Theems, waar in hy zich wilde nederwerpen, wanneer een jammerlyk gekerm zyn hart nog opmerkzaam maakte op de rampen van dit leeven; met een gevoel van medelyden , wendde hy zyne oogen naar de plaats, van waar het geluid gekomen was, en zag een omver gevallen rydtuig, waar onder een meisje lag, welke om hulp fchreeuwde. Van zyne jeugd af gewoon, den ellendigen by te ftaan, ylde hy, zonder te weeten, waarom? naar de ongelukkige toe, om haar te redden.

De natuur befchouwt, in gevoelige harten, altyd haare heilige rechten. — De begeerte, om de ongelukkige hulp te bieden, vervulde thans het geheele hart yan Fortvel. Hy droeg het fchoone meisje in het naastbygeiegen huis, alwaar hy alles aanwendde, om haar van haare ontfttltenis te doen bekomen. By eenen zagten opflag van het oog, bezat zy de grootfte bekooriykheden; de uitg< ftaane fchrik zettede aan haare fchoonheid nog meer luister by, even gelyk het fchemerlicht van eenen aangenaamen morgen- of avondltond, wanneer de

zon

Sluiten