Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geredde Menfchenhaateft 931

zon nog niet boven de kimnvn pereez^n, of bf reden dezelven gedaald is, de natuur nieuwe bekooriykheden fchenkt. — Vol van eerbied ftond Fortvel voor de onbekende fcho ns, wdke hy, coor zyn gelaat, en zyne deelneeming in haar ongHukj van zyne edele denkwxze en de grootheid zyner achting overtuigde. Volgens myne naauwkeurige waarneeming n, houde ik my overtuigd, dat onze hedendaagfche mannen maar al te weinig de achting kénnen , welke zy de vrouwen verfchuldigd zyn. Ik weet niet, of dit een gebrek van hun verftand of hart is; en wanneer ik zu ks moest beflisfen, zou ik" zeggen, dat het een gebrek van bei Jen was. Het gaat aile begrip te boven , op welke wyze m n in den omgang met vrouwen den baas tragt te fpeelen, en het geeft de duidelyklte bewyzen aan de hand voor de onbefchaafdheid van de meesten onzer mannen. ■ De verkeering in de maatfchappy moet ons befchaaven; de jongeling moet door den omgang met meisjes, zagtaartiger en gevoeliger worden; het meisje daarentegen ftoutmoediger, mannelyker en verftandiger; — dus moa het eene geflagr het andere befchaaven ; dus zoude het een zegen der natuur zyn, onder menfchen te leeven; dus zoude ons aanwezen, ons tot blydichap verftrekken.

Wanneer men flegts ter loops het minnelvke geAagt gadcflaat. welke woeste en onbezonnen wezens vind men niet onder hen; welke uitgelatenheid in hunne bedryven, welke zedenloosheid in hunne handelingen? — Op eene verachtelyke wy-

ze

Sluiten