is toegevoegd aan uw favorieten.

Zanglievende uitspanningen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIEVEEL en MERKHART. 245

De bakker klauwt den kop — de hersfens loopen om. Hoe knorrend plaagt hem hier een onvernoegde drom, Die voor zijn geld niet-kan naar wensch geholpen worden ; Offchoon de pannen forsch en onophoudend fnorden. Men ftaat nu al te lang te wagten naar zijn' zin, Des loopt gramdoorigheid eene andre Maaskraam in, Of fchreeuwt, terwijl men zich booshoofdig om gaat keeren, „ Mijn duiver is zoo goed, als 't geld van deeze Heeren ! 'k Wil Broedertjes! bak voort i geef op! daar is uw geld! Ik heb al lang vóór dien een bakzel u befleld." Het bakkeröor word lam van 't knorren en de klagten. Hij roept! „ mijn Heer! 'k verzoek een weinigje te wagten: Dat pannetje is bedeld — dit word voor u gevuld: 'k Geef ieder zijne beurt — ik bid u, heb geduld i" De man helpt eindelijk all' zijne Broedervrinden. Men laat nog een dozijn in zijnen neusdoek binden. Elk brengt wat meê voorman, of vrouw, of kind, of baas.

„ Eet, roept men, Broedertjes! gebakken op de Maas."

Gindsch daat een menschenheir elkander plat te dringen.

DeRotteftad loopt leêg — 't krielt ook van vreemdelingen.

Men daartopgindfchekraam — hoegaapt de nuchtre boer,

Naar fchijngalanterij, geveild op deezen vloer!

q 3 0n-