Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

♦H PR IJ,

„ Geldzucht ook: Dat gij mij, uw Gadame, fcheUt „ voer een verachte prij , in zijnen Lof der Geldz.

„ bl*

Door B ijvoeglijken verfta ik, die zamengefteld zijn uit den uitgang {termmatio) fchap en een bijvoeglijk Naamw. f Nomen aijeüwum). Deze woorden zijn en blijven ook nog gemeen£ ^V^-Y'- Sramfchap, blijfchap, vriendje hap,

vijandfehap {vijand is bijvoegelijk; zijnde een deelwoord (par. ttctpium) van vijen, haten, odio perfequi, waarvan VEDE voor haat. Zie op VEETE) Zoo ook de dronkenfehap, eigenfchap, vroedjehap; welk laatfte onder deze te huis hoort Vroed is wijs, zeggende Vroedfchap zoo veel als wijzen, wijze man«en, doch meer eigenlijk zegt het zoo veel ahwijsfehap, dat is Wijsheid, en wordt daarom door Kiliaan vertolkt door Sapientia; vanwaar het bij overnaming of in het afgetrokkene wordt genomen voor den Raad, in wien vooral Wijsheid wordt yereifcht, en dus ook voor het lichaam der Raadsheeren. Voorts waant hier op recht te hebben het woord kundfehap . vant het oudekund, kond, (notusj, bekend, waarvan oorkunde, rerkmdigen. Hooft Ned. Hift. II. Deel bl. 3; deze kundfehap heb tk uit eenen perfoon. Al verder beterfchap, algemeenfehap, t welk Hooft bezigt, brieven der bezondre gewe/ien zoo wel als der Algemexnjchap. Zie hem aldaar 21. B. En wac voorder, van hunner aller vrijheid en openbor/lige gemeenfehap. Hier van mogt iemand zeggen is hetgereedfehap uitgefloten, dan kwalijk; verleid door het misbruik of verloop. Vr. is het in de Gulden Legende, of het Paflionaal I. D. bl. 64. doe wort dye reefchap totter timmering toegemaeêt. De Overzetting des Bijbels 1637. Lxod. XXXVIII. 3. hij maeckte oock alle de ghereetfcbap des Altaars, waar ook alle het kon geweeft zijn. Doch voor de verandering van geflacht in O. is deze reden /dat het van zijne eerfte beteekenis is afgegaan; want uit de aangehaalde plaats der Legende blijkt, dat het oul. aanduidde de vervaardiging de gereedmaking eener zaak {apparatus rei), daar men het thans bezigtvoor het gereedgemaakte, het vervaardigde, ofwel meeft voor de Werktuigen, die tot de gereedmaking dienen (apparata, tnjlrumenta, arma.j Zie Kiliaan.

Het tweede foort zijn Zelfftandige Naamwoorden, doch die weder van onderfcheiden aard zijn. Ik brenge daartoe voor eerit zuiken, die in een vergaderd Lichaam eene algemeenheid van perfoonen of een menigte aanduiden , en dan zijn dezelve Vr. En dit geflacht is in zijn' oorfprong ook altijd aan deze woorden eigen geweest. Ik zal hier eenigen derzelven met een Vooibeeld aanrodren en ophelderen. Ik bieng cr toepaiESTERSciur, van de perfoonen, in onderfcheidinf

van

Sluiten