Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOE WYDING. VII

Ik , die myn' jongen levenstyd Befteedom, door verdienste, op Pindushooge tinnen,' In 't heiligdom der Zanggodinnen,

De vrucht te plukken van myn vlyt., Raak ligt verdwaald, en fta verlegen, Wanneer, ik op die fleile en fchaars betreden wegén, ' Geen leidsman, geen ervaren vrind, Die my zyn' byftand aanbiedt, vind»

Of zo ik op die gloriepaén Met moeite een weinig meer den tempel ben genaderd, Maar heigedrochten zie vergaderd, • Die my beletten voort te gaan, Dr.n zie ik ras myn onvermogen: Vergcefsch is al myn moeite, en vlyt, en yvrig pogen; Indien ik geen deelnemend' vrind, Op wien zy vruchtloos woeden, vind.

* 4 Uw

Sluiten