Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 37

De goden hebben my hec ftraffen opgeleid... Ik volgde liever hen in hun weldadigheid. de opperpriesteres, hem te gmoet tredende, ü Priester! ken de geen, die Vesta fnood onteerde, En fidder: 't is een maagd, die haar getrouwheid zweerde. Gy ziet, hoe dit altaar zyn' heldren glans verloor; En 't wanbedryf outwyd dit heilig tempelkoor. De nacht is thans noch niet ten halven loop gekomen: Men wreek' het godendom eer 't daglicht word' vernomen. Zy toont hem Ericia, die, met haar jlaijer bedek, het hoofd laat hangen, en hare verwarring en fiddering doet blyken.

Zie haar: Uil Romes angst, door 't vonnis, dat gy velt. Denk, Vestaas heilig recht is in uw hand gefield.

Zich tot de maagden keerende. En wy, verbidden wy haar grimmig wraak vermogen. Zy vertrekt, met de priesteres/er.

DERDE T O O N E E L.

aurelius; ericia, met neêrgejlagen oogen, en jchynende, mei bedeesdheid, het aanzien van den opperpriester te ontivyken.

aurelius, de vertrekkende priesteresfeit met zyne oogen

nagevolgd hebbende , flaat dezelvtn om zich heen. Myn oog doorloopt met fehrik dees doodiche tempelbogen.

C 3 W;iI

Sluiten