Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEGEPRAALENDE DEUGD. 33 Freek.

Maar zult gy deezen marsch dus om uw fcliouders hangen, Een Hoed met Pluimen, en gekleed als een Baron, Ha ! ha! ha ! dat zal ftaan, een Kramer met Galon , Gepoeijerd hair! ha! ha! met Lubben op de handen, En dan: Mejuffrouw wil jy koop die waar. Qterzydel)

't Is fchanden!

Myn Heer! ik vrees voorwaar dit zal u misfch'lyk ftaarL

Zweedwood. Zwygt met uw fpotterny , gy zult op morgen gaan, By Rykerd, daar zult gy een oude Mantel huuren. Pree k.

Dan zal het lukken. , (ter zy«e')

Wat heeft die liefde kuuren, Maar wagt gy op deez' plaats op morgen Ligthart nies.

Zweedwood. 'K wed dat gy morgen vroeg Heer Ligthart hier niet ziet, Ik ben verzekerd, dat indien hy hier mogt weezen, Als 'k myn geweer flechts trek, zo zal hydaad'lykvreezen

En neemen ftraks de vlugt, ik kan die laffe bloed, Daar niet te vegten is heeft hy de grootfte moed; Gaat heen, en wilt vooral die boodfehap nietvergecten, Maak dat het is gereed, als ik in huis koom eeten.

F r e e a.

Ik zal het doen Myn Heer! {binnen.) Zweedwood.

Ik zal u eind'lyk zien, Myn Flimfy! mogt ik u myn zuiv're Liefde aanbiiti? Voldeed gy thans myn wenfeh , gy deed myn ziel herleeven 'K verlang naar 't oogenblik dat'k u myn hand mag g^even, 't Zal haast gefchiên, ö ja! myn Flimfy! almyu vreugd, 't Is in uw fchoonheid dat myn Liefde zich verheugd.

Einde van het Tweede Bedryf.

C D E R*

Sluiten