Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 31

DERDE BEDRYF.

EERSTE T O O N E E L. JAKOB, alléén, zittende in een' armjiocl.

Ach, hoe verfcbillend zyn de ftaaten

Der ftervelingen, op deze aard'! De een ziet zich van 't geluk verlaaten , Daar de ander fchat op fchat vergaèrt: Men ziet veeltyds de deugd met tegenfpoeden ftryden, Daar de ondeugd zegepraalt en weet van druk noch lyden.

Ik zie my van al 't myne ontzet; Maar deugd, myn leidsviouw in dit leven,

Verzelt my (leeds: ik volg haar wet, Oflchoon my alles heeft begeeven: 'k Heb altoos haar bemind, en roem op zulk een min; Wat my ook treffen moog', niets bant haar uit myn' zin.

Niets kan my ooit dien fchat ontrooven,

Hoe ook myn lot veranderd zy; Niets kan myn zucht tot haar verdooven; Zy ftaat my in myn onheil by: Schoon ik myn' tegenfpoed onmooglyk kan ontvlieden, *k Zie echter my door iiaar getrouwen byfïand bieden.

He-

Sluiten