Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TONEELSPEL. %$

brood; (tegen Lebock) maar hij zegd, dat het voor de laatfte maal is, dat hij u borgen wil; en ik weet waarlijk niet waar ik morgen iets halen zal.

lebock.

Verfchriklijk! maar hebt gij hem dan niet gezegd, dat ik voor meer als duizend gulden aan fchilderijen

heb?

anna.

Wat raakt dat de koopman! En kan men

wel eens geld voor dat goed krijgen? heb ik niet

te vergeefsch de gantfche (lade rond gelopen?

Mijn man God hebbe zijne arme ziel!

was maar een verwer, en als bij geen werk hadt, dan fchilderde hij zo wat grote heren en heiligen, en dat ging alles goed van de hand; altoos hadden wij genoeg om te leven; en als onze lieve Heer hem niet zo vroeg tot zich geroepen hadt, zou hij u hebben kunnen leren, hoe hij die genadige heren en heiligen maakte.

lebock, (glimlachende.')

Goede vrouw!

lotje.

Ik heb immers hier noch van mijn werk, dat te verkopen is?

lebock.

Geduld, mijn kind, geduld! Ik ga dadelijk zeker heer fpreken, die onlangs, om wat vertoning te maken, enige ftukken van my gekogt heeft, en nu kan ik van dezen windbuil geen geld krijgen; ik zal het egter noch eens proberen.

(Hij vertrekt.)

* B 5 A!f

Sluiten