is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Kuik en Kunigonde; vaderlandsch helden-spel. In vyf bedryven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103 >

Kie dit reeds — doch fpreek, wat is, het dat u zo zeer verbaazen kon? Spreek, en voldoe aan mijn verlangen, Om deze nieuwe verfchijning te vernemen!

DE ADJUDANT.

• Jawel een treurtooneel, zoo plegtig, als wel ligt, maar fchaars een menfchelijk oog aanfchouwde! — Men bragt mij lin een vertrek — een zaal ... nog huiver ik op het herdenken van dat geen, wat zich hier aan mijn oog ontdekte ... Ik trad in eene zaal, alom met zwart behangen. — In het midden vertoonde zich een pragtig ledikant , insgelijks met zwart bekleed, en ook met zwart fluweel befpreid. Ik zag een lijk — het was de vader van haar , welke mijn gevangene wezen zou: nog kort geleden had hij den adem uit geblaazen. Aan beide zijden van dit ontzag verwekkend leger des dooden ontwaarde ik, bij het flaauw en akelig fchijnzel van eenige wasch - toortzen, welke op een afftand geplaatst, dit treurig ruim met een huivering wekkenden glans beftraalden, twee vrouwen, geheel in rouw gewaad, al fnikkend neêrgeknield. Deze zag ik beide handen van den verfcheidenen met haare traanen befproeiè'n, terwijl twee tedere wigtjes, naast hunne moeder neêrgebogen, een vloed van traanen langs de zagte wangen deden afvloeien. — Ik zweeg, en was ontroerd, terwijl de wagt, welke wij verzelde, ontzet te rugge trad , en met verbaasde blikken mij fcheen te vraagen, of ik mij niet had laten misleiden, en of dit fchuldigen waren, die naar den kerker moeG 4 Hen