Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PI2RASI0L0GJQUE PORTATIF. Ug

APP.

i'ArPÉTiT vient en mangeant, al eetende komt de eetlust, of krijgt men eetlust.

II n'est jauce que (Tappétit , honger is de beste faus.

Dans ma jeunesje, j'étois un cadet de haat appétit, in mijnejonge jaaren was ik een graage eeter.

Applanir un chemin, een' weg flegten, opruimen, baanen.

Applanir les difficultés, de zwaarigheden uit den weg ruimen.

Cette raifon n'est pas applicable d ce fujet, die reden is op die zaak niet toepaslijk.

II Je fait /'application de tout ce qui fe dit, alles, wat er gezegd wordt, past hij op zich toe, trekt hij zich aan.

Faire une chofe avec Application, iet met aandagt en ijver doen.

Etre fort appliqué d fon devoir, zijnen pligt zeer behartigen.

Appliquer une affiche d une porte, een plakfchrift aan een' poort aanplakken.

Appliquer une empldtre Jur une pla'ie, een' pleister op eene wond leggen.

Appliquer un foufflet, des coups de baten, dquelqu'un, iemand een klap, ftokflagen, geeven.

Appliquer un criminel d la question , d la torture, een'misdaadiger op den pijnbank brengen, pijnigen.

Appliquer une Jomme d l'entretien des pauvres, een fomme gelds tot onderhoud der armen aanleggen.

j'AppliQüer d quelque chofe, zich

ergens op toeleggen. Cett un homme, qui j-'applique,

het is een man, die zich op

APP.

zijne zaaken toelegt, zich bevlijtigt.

Appliquer la fonde d une plaïe,

het tent-ijzer in eene wond

gebruiken. ArpoiNTER une caufe, eene zaak

tot op een ander termijn uit-

itellen

Apporter de bonnes raifons, goede redenen bijbrengen, geeven , aannaaien.

Dites les chofes fans y apporter tant de faf ons! zeg de zaak eenvouwig, zonder er zoo veele omftandigheden bij te doen!

Apporter de bonnes ou de mauvaifes nouvelles, goede, of kwaade, tijdingen medebrengen.

Ce remede apporte du fiulage* ment, dit heelmiddel brengt verligting aan, verligt.

Apposer le fceau a unepublication, het zegel op eene publicatie, zetten.

Apprécier une terre, mie maifon, een land, een huis, waardeeren.

AppreNdre fa lepnparcaur,z'ï\xf les van buiten leeren. • Apprendre d'unmaitre, bijeenen meester leeren.

Apprendre une nouvelle, eene tijding hooren, verneemen.

Apprendre une langue d quelcun, iemand eene taal leeren.

Apprendre d icrire, leeren fchrijven.

Je lui apprendrai d vivre, ik

zal hem leeren opzitten. Apprenez moi oü vous logez! zeg

mij waar gij t'nuisligt,logeert' Cet enfant est Aze/i'appris, dat

kind is wel onderwezen, wel

geleerd.

B 2 Fai-

Sluiten