Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 HUIG de GROOT en

die zo uit de verhevenheid uwer ziele op mij nederftort, verplettert mij voor een oogenblik. Ja de Groot ! ik bemin ook in u niet alleen den bevalligen jongeling, hoe veel beminnelijks in ieder trek van uw

gelaat in ieder uwer handelingen doorltraalen...

ik bemin ... u omdat gij de Groot zijt; och waarom zou ik u, nu gij geheel de mijne zijt, en wij, voor elkander leeven, door onlosmaakelijke koorden aan elkander verbonden zijn, waarom zou ik u nu den diepften grond dier ziel, die gij zegt zo lief te hebben, niet ontdekken.

De Groot. Die gij zegt ... mijn lieve! die gij zegt ... o dat klinkt hard ... zeer hard ... is 'er eenige verdenking?

Maria.

Och vergeef het mij, beste man! beste vriend! 't was nog een gering ovcrfehot van de kunftig wantrouwende taal van liet meisje ... vergeef het mij, de Groot , ik bedoelde geen belcediging ... ik heb geen wantrouwen op uwe oprechtheid ... ik geloof, ik weet, dat gij geheel liefde voor mij zijt. .. De Groot.

Maar vaar voort, vaar voort, met het geen gij mij wilde zeggen. Dat ik u den fchijn van verdenking vergeeve behoef ik u niet te zeggen.

Ma,

Sluiten