Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348 NEDERDUITSCHE

menrotten, oproerig faamenkomen. Rouw. m. Droefheid. In rouw gedommeld.

Rouw. m. Zwarte kleeding. Hij is in den rouw, in bet

zwart gekleed.

Rouwen. Den rouw aanneemen , zig in den rouw klee¬

den.

Rouwen. Berouwen. Die behandeling zal u rotiwen.

Ruiken. R,eken , met den neus rieken. Ik kan dat

gebak ruiken.

Ruiken. Stinken, reuk van zig geeven; rieken .

Rnlm „ > r7d-' Wijd' 'UChtig' niet ™S, niet naauw.

Ruim. o. t Ruim van een Schip.

Ruim Mildelijk, onbekrompen. Hij leeft ruim. Hij

v ^ . geeft ruim Meet dat wat ruim. '

Ruim. I Iets meer dan. 't Is ruim een maand gelee¬

den.

Rukken. Met geweld trekken. Iemant iets uit de hand

rukken.

Rukken. Schielijk optrekken. De vijand wilde op de

itad aart rukken. Rusten. Van werken ophouden. Gij moet uw werk

flaaken om wat te rusten. Rusten. Ergens op of tégen leunen of leenen

Rusten. Slaapen. De zieke is wat aan 7 rusten.

Ruw. Onbefchaafd. 't Is een ruw Mensch.

RiitT Pr'-' fl°rdig' on[tuimiS- V fs ruw wéér.

R. fc. Magt.g vermogend. Die Man is rijk.

o. Heetlchappije. Het Duitfche Rijk; het Rijk „.. Frankrijk is zeer uitgebreid.

.Rijm. o. Witte nével of rijp.

Rijm- o. Di]j™. «f," ftuk in rijm ^.

Rüp. v. Witte nével of rijm.

RjJP. Eetbaar volgroeid. ƒ)* ^ rij

*'J«. Rijst, bekend rietgewas, rijs

Krenten. J

Si'Tee"tj.e' takJ'e van eenen Boom. Kijfen. en Reifen. Zie bladzijde 34tf. SéwEL,

aB. L. ten kate, I. Deel, *A i8p.

Sluiten