Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARESIUS. CSAMUEL) 23*>

wisfeld, dikmaals mee eene pen, niet met Inlr, maar met Cal gevuld. De tuist duurde nog, naa dat maresius na Groningen verhuisd was

In de gemelde Stad deedt onze Ilooglecraar, in tien Jaare 1652, door den druk, uitgaan een Doek, moetende dienen ten betooge van de Regtzinnigheid der Nfiderlandfche Kerke , in het fluk der Leere. Hij droeg zijn Gefchrift op aan de Algemeene Staaten, die het voorts na Luiden zouden, om het gevoelen der Godgeleerde Hoogleeraaren daar over in te neemen. Deeze waren thans de vermaarde johannes coccejus, jacobus trigi.andius en abraham iieidanus. In hun berigt verhieven ze den Schrijver hemelhoog , doch fpraken met kleinen lof van zijnen arbeid. Cocci jus hadt, uit lier naam, de pen gevoerd. Maresius van den inhoud des Verflags en van den perfoon des penvoerders onderrigt, wierdt daar over dermaate misnoegd, dat het tot den grpndflag diende van afkeerigheid, welke naad^hand zich duidelijk openbaarde. . .

Eer dit gebeurde, ontftondt 'er eene andere onmin tusfchen maresius en eenen zijner Amptgenooten, De aanleiding tot dezelve wordt aldus verhaald. Behalven onzen Hoogleeraar, gaven te Groningen onderwijs in de Godgeleerdheip witmarius en fasor , twee oude afgeleefde Mannen, en uitdien hoofde bijkans onbekwaam tot het waarneemen van hunnen post. Hierom verzogt maresius , van de Bezorgers van 't Hoogefchool, dat hem tot Ampuenoot mogt worden toegevoegd jakobus alting, zints ruim twintig jaaren Hoogleeraar in de Hebreeuwfche Taaie. Dit wierdt hem toegeftaan. Niet lang hadt alting op den Godgeleerden Stoel gezeeten, of hem vloeide telkens toe een aanwasfend getal van Leerlingen; die, eerlang, tot zulk eene menigte aangroeiden, dat hij, in zijn Huis geene genoegzaame ruimte hebbende om zijne Leerlingen te plaatzen, genoodzaakt was, de Lesfen, welke hij bijzonderlijk in zijne wooning plagt te geeven, in eene Gehoorzaal van het Akademiegebouw te houden. Dit ontllak den naijver van maresius tegefi alting, en veroorzaakte verwijdering; die nog meer toenam, zints de Iaatstgemelde hadt verklaard, dat hij voor zijne Koüegien geen geld begeerde

van

Sluiten