Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN STANDVASTIG GELOOF. 1?

en gevaaren te zijn? Ik zou denken, dat dit, naar de omftandigheden waren, zekerlijk waar

kon zijn. Maar , verder : wanneer nu

uw vriend, die gij door heimelijk wantrouwen beleedigd had, oogenblikkelijk te midden van het gevaar, waar in gij gekomen waart,

naar U toefnelde ; met een gelaat vol

tederheid U een hulpzaame hand toereikte ; U uitredde; en op deze wijze flegts zagtelijk beftrafte, ,, waarom hebt gij aan mij „ gewantrouwd, ik had U immers raad, en ,, mijn woord gegeeven ?" Zoudt gij U dan niet fehaamen over uw gedrag ? Zoudt gij uwen vriend wel in het aangezigt durven

zien ? Hoe zeer moest Petrus zich dan

niet fehaamen , a:s Jefus zoo oogenblikkelijk

op zijnen noodfehreeuw de hand ui'ftak;

hem hielp ; en flegts eene zagte beftraffing over zijn ongeloof volgen liet: ,, Gij kleijn ,, geloovige waerom hebt gij gewankelt ? " — Zoo even had Petrus zijnen Heer door het ongeloof beleedigd , maar , op het zelfde oogenblik , verleend dezelve hem vergiffenis, en red hem uit het gevaar. -— Welke eene grootheid van Jefus? — Petrus die alle reden had om in weerwil van het groot gevaar, volkomen op zijnen Heer te vertrouwen, daar 0 hij

Sluiten