Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IOVER DE MAATSCHAPPIJ IN »T GEMEEN. 2$ zijn geluk, en op welke hij zelve tevens | een' wederkeerigen Invloed heeft, — Aldus jheeft ieder lid van maatfchappij invloed op I dezelve, en de maatfchappij heeft wederI om invloed op elk van haare ledent — Ds I betrekkingen van den mensch zijn de oh* I derfcheiden gezichtpuuten, waaruit hij beI fchouwd moet worden.

123 V. Welke zijn de voornaamfte geI zichtpunten waaruit de mensch befchouwd 1 moet worden?

A. Men befchouwt den mensch voor» I naamlijk i. op zichzelf, dat is zonder eenij ge betrekking op andere wezen; 2. als lid

van eene huislijke maatfchappij, dat is als

kind, vader of moeder, bloedverwant of ' vriend enz 3. als lid v-aa eene burgerlijke

maatfchappij, dat is als burger, wetgeevei* I of ambtenaar; 4. als lid van eenige gods-

dienftige maatfchappij, dat is als Christen,

Jood, Mahometaan enz.

124 V. Heeft elke mnatfchappij' wettige rechten op ieder van haare leden ?

A. Ja; de maatfchappij heeft recht orm van haare leden te vorderen, dat zij, elk in zijnen kring, medewerken ter bereiking van het gemeen oogmerk, en deze rechten zijn wettig, dewijl ieder lid de maatfchappij noodig heeft voor zijn go'uk, — Ieder lid op zichzelve is dus ondergefchikt aan de geheele maatfchappij.

125 V. Wat verltaat gij door ondergefchiktheid?

A. Door ondergefchikt te zijn aan ds

maat-

Sluiten