Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 235 )

Ik befloot daadlijk, om naar al die plaatfen te gaan, waar ik maar eenigzins denken kon, dat zij weezen mogt: te vergcefsch! Ik vond nergens fchijn of fchaduuw, dat zij er geweest ware. De dag liep ten einde en wij ileeten den nagt in de doodlijkfte ongerustheid , met zoeken en jammeren.

Toen de eerfte fcheemering van den dag aanlichtede, ging ik andermaal uit. Gevallig kwam ik aan het Bosch, waarin de Tooren ftaat. Ik ontroerde van 't hoofd tot

de voeten ! Deéze ontroering deed

mij bef]uiten er in te gaan , en fidderende flapte ik naar binnen.

Alles was er doods en akelig! Allesfcheen mij toeteroepen , dat ik te rug zou kecren! — Verfchriklijker plaats kan er in 't Heelal niet zijn, als die plaats mij voorkwam. \

Het was even zo licht geworden, dat ik de voorwerpen duidlijk genoeg onderfcheiden kon. Eene angflige beklemdheid drukte mij, op eiken flap, den boezem toe.

Ik naderde den boom , waarop onze naamen gefneeden waaren. Het bankje onder denzelven was met geweld omgefmeeten , en gehecle brokken van den grasheuvel afgetrapt.

Doch,

Sluiten