Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NABERICHT. 215

En fchoon, om 'er dit ten Hotte nog bijtevoegen, de twee veerzen, die Pietro tot Roméo fpreekt, bladz. 155, dus luidende :

Laet de arme Julia, mijn beste, lieve Heer,

Ook zachtkens iluimercn; — nooit toch ontwaékt zij weêr!

zeker teederer, fierlijker, misfchien dichtkundiger ,1 waren uitgedrukt door deze twee:

Laet uwe Julia ook rusten, waer zij ligt;

Nooit toch ontfluit zij weer haer vriendelijk gezigt!

verwierpen wij nogthans deze laetften, hoewel 'er die eerst geltaen hebben. Immers gevoelt de denkende lezer, dat in troostredenen, zullen zij waerlijk bemoedigende, rouwmatigende* troostbiedende wezen, geene aenleidingen tot nieuwe bedroevingen moeten opgeiloten liggen. De herinnering van het vriendelijke, nu, naer het vermoeden van Roméo, voor eeuwiggefloten gezigt der minzame Julia, der aen hem alleen toebehoordhebbende Julia, moest dien gevoelvollen, dien bittertreurigen minnaer het verlies, dat hij leed, fterker doen befeffen, en hem dus in nieuwe, in diepere droefheid dompelen.

Sluiten