Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tzt HET II E 1 L

Her/lelt de zagte rust en kalmte m hunne ziel, Die, 't lot getroost, hoe wrang't hun heil verwachting viel, Te vreên en needrig rust in 't opperst Welbehaagen. Zoo flijt de veldling hier gelukkig zijne dagen, In voor- en tegenfpoed. De vallende avondftond Leidt hem ter ruste en mest voor hem zijn' akkergrond. Hij fmaakt in't heusch verblijf,waargade en kroost hem toeven Met liefde en gulle vreugd, de nektarzoetc proeven Der dierbre zaligheên van dezen gouden tijd. Hij kout met hun, of met zijn vrienden, die, om fhijd, De grootheid van hun heil niet min dan 't zijne noemen. De grijze veeman poogt vooral zijn' ftaat te roemen:

Hoe tierig, zegt hij, pronkt mijn weide en rustig vee! 'k Zag vaak den dollen krijg, bevrucht van 'tijslijkst wee, Die elke hoofditof wekt om alles te bederven: De lucht vergiftigt, dat de runders kwijnend fterven, De keurigfte landouw in baare zee verkeert, Of, nevens dorp en buurt, door vuur en ftaal verteert, En de aarde ontbloot van kragtom 't leevendheir te voeden. Hoe vrolijk fchuilen wij voor zoo veel tegenfpoeden In 't overwelvend loof der aangenaame Vreê!

Hoe weelig lacht mijn wei! Hoe tierig graast mijn vee! Wat mag het ongeftoord, volop zijn' lust verzaaden Met zuiver beekkristal en malfche kia vei bladen!

Het

Sluiten