Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 3» )

van mindere Grooten hebbe mogen genieten, en het welke , zoo lang myn geheugen ftand houd by my in gezegende dankbaarheid zal bly ven: wilde ik deeze waarheid in haare uitgebreidheid vervolgen aantetonen, waar vond ik einde, en het zoude miflchien den Vorft niet aangenaam weezen; zoo dit gefchryf eens de Eere mogt hebben onder zyne oogen te komen, ook. is het gezegde meer dan genoeg ter uwer befchaaming, die u zoo on vriendelyk en onheufch omtrend den vriendelyken en heufchen Vorft gedragen hebt,

3. Eindelyk moet ik noch mynen en uwen aandagt bepaalen by de laaftgenoemde tegenkanrers van den Heere Prinfe Erfftadhouder, het waren naar de opgave geleerdere dan ik, jaa zoo veele Leeraars van de Herformde Kerk. Ik ftaa graag toe, er zyn veele geleerdere dan ik , en met welke ik niet begeerein opzicht van geleerdheid op eenen dag genoemd te worden, maar vooral niet in gemoedsgefteldheid omtrent den Vorft; doch ter zaake, wat doet dit af geleerdere dan ik, jaa zoo veele Leeraars van de Herformde Kerk zyn van andere gedachten omtrend den Heere Erf-ftadhouder ? Ai lieve zyn zy niet alle menfchen? is niet het dwaalen menfcheiyk? laat niet de Goddelyke Voorzienigheid fomtyds om wyze, en ons verborgene redenen toe, dat de grootfte verftanden tot de grootfte dwaalingen vervallen ? gelyk men daarvan veele ongelukkige voorbeelden heeft, en Ëlk my graag zal toeftaan, die maar eenige gefchiedeniskunde bezit. en wilde ik myne zaake fterk maaken met een aantal van niet minder Geleerden, dan gy kunt aanvoeren, ik noemde maar eenen Camper, Hof/lede, en wylen den Zaaligen Barnetb enz. mannen wier Geleerdheid en Godsvrucht in Nederland zoo bekend zyn, dat ik niet nodig vinde meer optenoemen, mannen die met my in het zelvde ftelzel ftaan omtrend den Heere Erfftadhouder, en wanneer uwe geleerde met myne opgenoemde in deweegfchaal gelegd wierden, zouden de uwe ondervinden, mene, mene, Tbekel, Upharfin,gy zyt in de iveegfcbaalengewogen, engy xyt te licht gevonden! al gewis in het ftelzel waarvan wy nu fpreeken. Doet een bewys ab invidia, van den nyd niets af in de Reedenkonft, waarlyk een bewys a Dotïrina van de Geleerdheid doet niets af, vooral niet daar de wezenlyke gronden ter ftaavinge eener ftelling ontbreeken, gelyk het hier is met uwe aangehaalde Geleerde, gelyk ik mëene onwederfpreekelyk te zyn aangewezen, jaa bewezen.

En wat aangaat veele Leeraars in de Herformde Kerkf

an-

Sluiten