is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken van de Maetschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEREISCHTEN in eene LOFREDEN. 225

Verhandelinge niets anders bedoelen dan te verklaren wat in eene lofreden over perfonen, en wel.over een mensch, vereischt wordt, zullen ons niet ophouden met deze onderfcheidingen der deelen, over ieder van welken een lang en diepzinnig Vertoog zoude kunnen gefchreven worden. Wy oordeelen des te meer dat wy ons hiermede niet moeten inlaten, dewijl het, na de verklaring der byzonderheden , die in eene lofreden over een mensch vereischt worden, zeer gemaklijk zal zijn op te maken hoe men in andere gevallen behoore te handelen. Doch dewijl iedere befchouwing, om op eene geregelde wyze te worden ondernomen, van de bepaling dier zake, over welke men handelt, moet aangevangen worden, ten einde geene wanorde en duifterheden in het Vertoog plaats hebben, maar elk moge verftaan wat het onderwerp zy, waar over men redenkavelt, zullen wy, eer wy ons verder over deeze zaak inlaten, tragten te bepalen wat men voor eene lofreden te houden hebbe: en wy agten dit niet beter te kunnen doen dan door in dit geval het gezag van Arijïoteles te volgen , die ons de regte bepaling van eene lofreden heeft gegeven (28). „De lofreden is een „ vertoog gefchikt om de verhevenheid der deugd aan te wyzen." Niet anders verklaren zich alle de Redenaars, die na hem gefchreven hebben. Onder dezen zegt Aphthonuts (29): „ Eene lofreden is een vertoog, „ waarin die byzonderheden , welke in iemand deugdzaam zijn, worden „ voorgedragen." En by Theon lezen wy (30): „ De lofreden is een ver„ toog, dat ons de grootheid van deugdzame daden, en van alle andere

a uit-

(2?) Libr. 1. Rbttor. ca}, 9. (19) Pag. 40. (30) Pag. 99.

Ff