Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49Ö OrER de Zwaarte-kracht

ken, dat is , in beide gevallen blyfd de neiging naar de Aarde even groot.

L. Gy beduid my dan , dat een afgefcheiden ftofje van eenig ander groter lichaam, met eene even grote kracht van de Aarde zal aangetrokken worden , even of het zelve met dat lichaam nog vereenigd ware ; alzo , dat de ftofdeeltjes van een lichaam, 't zy vereenigd of gefcheiden, ieder in 't byzonder eene even grote neiging naar de Aarde behouden.

M. By uitnemendheid hebt gy myne meening gevat. De neiging van ieder derzelve, word door de onderlinge vergaring geenzints vermeerderd noch verminderd.

Deze grondflag der zwaarte éénmaal wel begrepen , en vast gehouden wordende , zo zal men dan ook ligtelyk bezeffen kunnen , dat twee klompen, van welke grootte dezelve mogen zyn, met eene gelyke fnelheid naar de Aarde zullen neigen of vallen ; zo dat een veer of pluim, even zo fnel naar beneden zal dalen als een fteen, brok lood, of eenig ander lichaam; beide zullen gelyktydig op den grond moeten komen.

L. Deze gevolgtrekking uit de gefielde grondflag , komt my geenzints zo blykbaar vóór als u, vermits het vlak tegen de ondervinding fchynd aan te lopen ; hebt gy immermeer waargenomen, dat een ligte veder met eenen fteen in het zelfde

ogen-

Sluiten