is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de kennisse der natuurlyke wysbegeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128 Over de Schuine Vermogens,

gens, welke met gelyke kracht tegens elkander intrekken, het eene gins, het ander herwaards, •vernietigen elkanders krachten, dat is het punt, waarop zy gefamentlyk werken, blyfdonbeweeglyk, even of het door geen kracht getrokken wierd.

M. TJit dien hoofden zyn dan die twee tegens elkander intrekkende Vermogens in evenwitrt. — Zoudt-gy my nu kunnen zeggen van welk foort dezelve zyn; — Ik bedoel of zy rechtftreekfche dan fchuine Vermogens zyn?

L. Buiten bedenking is ieder een rechtfireeksch Vermogen.

M. Waarom ?

L. Om dat het punt B, wanneer hetzelve bewogen wierd, dan dezelvde flreek , als waarin het trekkend Vermogen werkzaam is , zou volgen , 't geen ingevolge het flraks betoogde eene hoedanigheid is van een rechtftreekfch werkend Vermogen.

M. Zeer wel. ■— Wy zullen nu een ander Geval neemen , en vooronderllellen , dat het punt B in (lede van door een enkel evenwigtig Vermogen van B naar D getrokken, door twee Vermogens wederhouden word. —— Het eene zy gelvk aan de waarde van de lyn BC ; en werke in de

flreek van B naar C ; < het ander als de lyn

BE , in de richting van B naar E. By al¬

dien het genoemd punt niet door de flrydige en evenwigtige werking van het Vermogen van B naar A werkende , wederhouden wierd , zou hetzelve zich bewegende door de kracht der tweeVer-

mo-