Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tS Het Danklied van Moses.

Van 'sVorften fchipbreuk (d); hier zyn wapenen en lyken} 1 Daar wagens, raderen; ginds zwemt een groot getal Van vee, dat deelen moeftin's Konings ongeval, Hier dobbren in den vloed zyn fchatten, praalgewaden, Zyn fcepter, tulband, en meer and're ryksfieraden, De Koning zelf, die in het grondloos diep verdronk.

Zing, zing, myn Dichtgeeft, zing,

hot Zoan nedsrzonk f

JJog was het Ifr'el, naai den wil van 't Alvermogen, DoorMareotis flreek en engte niet getogen Aan't ftrand dei Roode Zee, langs 't aangewezen fpoor, Nog niet genaderd, of 't gerugt klinkt in het oor ; Van Pharao: „Op, op, dus raaft hy, „ Haat de handen „Aan die Hebreers, knelt hen wederom in banden. „Te wapen, mannen ! ras! maakt U ten ftryd bereid, „En ftuit dat muitziek volk in zyn wêerfpannigheid! Fluks is men op de been, gereed om Uit te trekken: ^

fd-) De Latynfche Dichter heeft hier ook NAUFRAGIUM. HJs Waar, Pliarao hadt hier geen fckepen en kon dus geen ehenhke fchiPbrouk lyden, maar, daar de omftandtghedenzeer eelyk waren aan de gevolgen van eene fchtpbreuk, mogt de o»~ %rgang van Pharao met zyn geheele hetr ,n een fih.lderend dtchtjiuk, terecht als eene fchipbreuk Voorgefleld W°rde»--Wien is't daar te boven onbekend, dat fchipbreuk te lyden eenegebrmhlykefpreekwyzeis, zonder dater van fchepenge- ■ fproKen wordk Zoo hadden fommtgen van het geloOVC ïcfcïf-

breuk geleden 1. TIM. I. 19.

Sluiten