Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r Samuels XXV. vs. i—31. 17

den voorhanden zijnde overvloed, iets kun nen geeven! dienst dus met dank beloonende. en David aan zich verpligtende. Het woord geeven, jaagt hem den fchrik op 't lijf — en dat van het mijne ! ware het nog van ge. meene goederen ; maar van het mijne! dat ik gaf, zou ik kwijt zijn ; welk een fchade ! — Hij gedraagt zich als een onverftandig mensch, als een dwaas , die zijne eigen zaaken , en waar belang niet doorziet. Hij bedenkt niet , wie David is — den ftand , tot .welken hij verheven is — de magt, welke hj tegenwoordig heeft — en zijne verwachting op den Troon ; dingen, die hij zoo wel als zijne vrouw , konde weeten. Al ware hij ten eenemaal van alle gevoelens van dankbaarheid ontbloot geweest, nog had zijn eigen belang hem anders moeten doen fpreeken en handelen. — Een mensch , rijk van goed, en arm van verftand en deugd , is een ongelukkig mensch.

Wenden wij ons nu tot David, en wyi Sullen den godvruchtigen man , den groot-' moedigen held — een mensch zien ! Davids t afgezonden jongelingen, Nabals antwoord ont-« , vangen hebbende , keeren zich met verontwaardiging van dien dwaas af, en naar hunnen weg , naar de woestijn. Men kan den. ken, hoe te moede. Wedergekeerd tot David, boodfehapten zij hem , achtervolgends deeze zelfde woorden, door Nabal gefprooken. —

III. Dkel. B David

en ah een

oi verft andig mensch.

~)avid, ter van t richt ntvan* inde,

Sluiten