Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 Samuels ï. vs. 17—27. 50}

voor den tijd en de eeuwigheid. De gezondi hoort fpreeken van den doodkranken , de • lee vende van het fterven ; maar het is veelal als van gebeurdnisfen in verre landen. Maa: de leevende, in het klaaghuis zei ven ingaande ziet daar met eigen oogen , en van nabij, ei legt, zoo hij wel gefteld is, het geen hij ziet in zijn hart. Heen gaande , roept hij uit Heer ! wat is de mensch ! wat de weereld Hij zégt bij zichzelven: Dit zal, en misfchier eerlang , ook mijn lot en einde zijn. Hi dankt God , die hem tot dus verre bewaard. en uit gevaaren gered heeft. Hij befeft, hoe kort , hoe kostelijk, de tijd is , en van welt een belang het is, dien wel te befteeden. Hi: leert daar , dat hij behoort te leeven met op. zicht tot de eeuwigheid , en zich in het kort ftondig nu, bereiden moet tot eenen overftap, welken hij eenmaal , voor altoos, en onzekei hoe, of wanneer, voorzeker doen zal.

Het behoorelijk befef van deeze, in het gemeen zoo weinig waarlijk recht erkende , waarheid , deed den wijzen van harte , in genoegelijke omftandigheden, en onder ftoffe tot blijdfehap, verkeerende, niet verzuimen, het klaaghuis te vereenigen met het huis der maaltijden. :— Onze David, zich verblijdende met groote blijdfehap, daar hij zijnen zoon Salomo op den troon, en zoo groot eenen fchat, ten, dienste van het heiligdom, bijeen gebragt zag, belijdt: Wij zijn 3 Heer , vreemdlingen en bij-

wooners

g

f >

E f

\

l f

Het we!k ioor V%'J'd, gelijk 'Iders,

Sluiten