is toegevoegd aan je favorieten.

Leerredenen, over het leven van David.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ït2 XXXVIII. LEERREDE.

J\og , dat

kwi^uoe-

dig gedrag , den

weg

baant tot verderf.

1. Hoorden wij der Jebufijten hoogmoedige fchimptaal tegen David , en hoe bitter hun die bekwam; wij leeren hier, ten vierden : „ Dat fcrotschheid van hart, taal, en „ gedrag , de naaste weg is tot eene fchande„ lijke en verdervende vernedering". — Hoogmoed is den mensch , nu oorfpronglijk bedorven , aangebooren. Vindt hij zich in het genot van eenige bevoorrechtende omftandigheden , ras zwelt hem de moed, en verheft hij zich trotschlijk boven 't geen hij waant beneden zich te zijn. Heeft hij verftand; anderen zijn in zijne oogen flegthoofden. Bezit hij weetenfehap ; anderen zijn bij hem weetnieten. Is hij begaafd met vermogens, het zij van fchatten , het zij van kracht of fterkte; niemand , meent hij, is hem gelijk. Onderrechtingen ziet hij aan voor beieedigingen; waarfchuuwingen , voor haatelijke verwijtingen ; bedreigingen, voor hoonende'tergingen. En durft een David tegen den burg van zulke Jebufijten iets onderneemen ; hij is het voorwerp van hunne verguizing , daar zij op de fterkte van hunne vesting , en op de dapperheid hunner handen, gerustlijk vertrouwen. — Een voorbeeld van' zulke verwaandheid, hebben wij ook voorheen gezien, in den beruchten Goliath ; en tevens , hoe hem die bekwam. Hier zien wij der Jebufijten fpotternij met fchandc beloond , cn met een geheel

verderf.

Zien