Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5.to XLIII. LEERREDE.

Dit is ook optemerken , en te erkennen. Er waren immers in ons Vaderland, die voor. heen , in benaauwdheid der tijden , 's Heeren huis poogden te bouwen, alles wat zij in de weereld hadden daar bij opzettende ; en wier nakroost, in Kerk en Staat kenbaar gezegend, tot bewijzen ftrekt, dat God hunner vaderen huis gebouwd heeft. En wie , die deeze nakoomelingen befchouwt, gedenkt niet aan hun% ne eerwaardige Voorvaderen , God dankende,

die den arbeid der liefde , zijnen Naame beweezen, nog in het laate nageflacht gedenkt, en vergeldt ? — Dan gij, ouders , wien de Heer een huis gebouwd heeft, waakt toch, dat gij nimmer , door raad of daad , de hand leent aan het af breeken van 's Heeren Tempel. Gij zoudt eenen vloek op uw huis brengen. Mogt gij zeiven, met de uwen, als leevende fteenen aan 'sHeeren Tempel gebouwd, in uwen ftand deszelfs bouw helpen bevoorderen ! zoo zoudt gij ten zegen zijn , en op 's Heeren zegen moogen wachten.

Eindeliik, ?• Wij hebben gezien, dat de Heer, David dat Jefus 0p het hoogfte willende verecren en verblijSS.den, en daar toe hem een zaad, en beftendig zegen is. Koningrijk beloovende , vooral den Mesfias, en deszelfs eeuwigduurende Heerichappij toe• zegt. Laat ons — en dit zij onze zevende leering — daar uit opmerken : „ Dat Jefus „ Christus het grootfte Gefchenk van God» ,, en ons allerzaligst is". — Groote dingen bep Joofde

Sluiten