is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen, over het leven van David.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 83 )

noodzaaklijk is. Waar aan wij gehoor moeten geeven n ons houden aan Gods Woord. VII 448. 449. Terwijl Joabs en Simen lot ons waarfehuuwen moet. 449. 450. Ook moet Davids dankbaar gedrag, omtrent de zoonen van Barzillai, ons dankbaarheid leeren, en op 'sHeeren genadige vergelding doen hoopen. . VII. 450-452.

LXXXIII. Leerrede. 2 Samuels XXIII. 1-7.

Davids laatfte woorden. VIL 453. volg. Daar de mensch troost behoeft, in dit leven, vooral in het fterven is die best te vinden in het genot der Godlijke genade, en geloofsvertrouwen op dezelve. Dit zien wij hier in David. En wel uit zijne laatfte woorden- 453-J59. Zeer verheven is zijne Voorrede waar in hij zich nadruklijk befchrijft. Dankbaar Gods gunst erkennende. Hij vermeldt hier eene openbaaring, door den Heere hem gedaan. Waar bij hij den Heere onder verfcheiden benaamingen voorftelt 13e doelende daar door den Heiligen Geest. Terwijl h'ij in dichterlijken ftijl dezelfde zaak, onder verfchillende'bewoordingen herhaalt. Openbaaring, voorheen, en nu op het einde van zijn leven aan hem gedaan , aangaande den Metfins, Het welk ook door Joodfche Uitleggeren erkend wordt. En aangaande Salomo, deszelfs voorbeeld Doch voornaamelijk, aangaande dm Mes/ias. 459-468 Befchriivende deszelfs hoedanigheden en openbaaring. Ook verklaart hl), hoe hij ten aanzien van die ontvapgen openbaaring, werkzaam was. Hijerkent.dat de Heer hem belofte had gedaan; belofte, uitneemend behoedaanigd en wel bewaard. 468-473. Verder zegt David, dat zijn huis alzoo niet is voor God. De woorden, „ hoewel Hij het nog met doet uitfpruiten ".- worden door fommigen vraagswijze opgevat, en door anderen met het eerde lid verbonden. 473—475. Ten aanzien van de mannen Belials, zegt hij : dat zij, als doornen, die onwaardig, fchadelijk en haatelijk zijti, zouden verworpen worden, en verbrand, ter zelve plaatze. Dit was zijne geloovige verwachting. Ook ten aanzien van Sakmons vijanden. VII. 475-480.

Deeze ftoffe geeft ons aanleiding om te overdenken wat wij op een derf bed zouden te zeggen hebben, tot dan,tbaare erkentenis; (ot veelvuldig beklag, en tot zelf. veroordeeling En de vroome tot 's Heeren roem. 481-483. Voords, daar de Mèsfiht gekoomen is, behooren wij te vraagen, hoe wij verkeeren omtrent zijne heerF 2 fchap-