Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3M 235 >©

van alle vreeze, dat zy gefchonden zyn zal, verlosfen. En het tweede voordeel, het welk wy van de buigfaamheid van onzen Neus, door deszelfs famenftelling uit kraak beenderen, trekken, beftaat hierin, dat wy daar door onze neusgaten wyder open kunnen zetten of nauwer toehaalen, wanneer wy of eenen aangenaamen reuk te beter willen genieten, of vooreenen onaangenaamen den toegang fluiten.

Misfchien hebben myne jonge Leezeren wel eens opgemerkt, dat onze neusgaten van onderen wyd zyn, en bovenwaarts na de harsfenen toe hoe langer hoe nauwer worden. Dit is niet by geval zoo, maar de wysheid en goedheid van onzen Schepper is ook in deeze byzonderheid zichtbaar. Te weeten, dewyl de riekende deeltjes in de lucht zwemmen, is het onbetwistbaar, dat wy, door middel van onze wyde neusgaten , op éénmaal eene groote menigte van deeze deeltjes, te gelyk met de lucht, kunnen opnaaien; en daar deeze nu, naar maate zy hooger in den neus opklimmen, ook nader by eikanderen gebracht worden , kan het niet anders, zyn, of derzelver kracht moet zich geduurig meer en meer veréénigen, en wy by gevolg ook eene fierkere gewaarwording bekomen van den reuk, dien zy ons mededeelen.

Op het gevoel alleen ontdekken wy reeds het fc> fchot, het welk midden door den neus loopt, endenzelven niet alleen in twee deelen deelt, maar ook het geheele gebouw onderfchraagt. Op het einde van dit befchot, of boven aan de grenzen van het voorhoofd, ligt het zeef been. Dus noemt men een been , het welk, gelyk een zeef, vol gaten is, dewelken echter allen met reukzenuwen vervuld zyn, die uit de hars» fenen voortkomen, en tot in den neus loopen. Daar verfpreiden zy zich in het Jlymvlies, of, gelyk men faeteigenlyk by de ontleedkundigen noemt, het [nou Gg a vlies,

Sluiten