Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPÉL. 29

messala.

Myn Heer, mag ik met u hier openhartig fpreeken ?

titus.

Ik achte uw' raadt waarvan't beleit my is gebleken. Spreek,maak dat ik my fchaame om myn vervoering.

messala.

Neen:

lk keure uw liefde goet, en uw gevoeligheên. Hoe! zal dan Titus Heets deez'Raadt van Dwingelanden Refchermen moeten, die ons boeit in flaailche banden ? Neen, zo geufchaumen moet,zofchaam u- zelf veel meêr Om uw gedult, dan om uw minnevlam , myn Heer. Hoe! zoudt ge uw min ten loon ,en uwe krygsbedry ven. Een magtloos Burger, en een hooploos Minnaar bly ven? 'k Zoude u zien zuchten, als een offer van den Staat, Veracht van Tullia , getrotst van Romens Raadt! Ach! mooglyk bleef een hart als 't uw' niet in gebreken , Om de een' te winnen, en aan d'ander zich te wretken. t i t u s.

Waarmeê, Mesfala, vleit gy myn ontftelde geest ? Zou dan haar deugt of haatte buigen zyn geweest? Ziet gy niet dat de plicht, en onze Vaders, beiden < Tot hinderpaalen zyn , om ons vanéén te fcheiden ? Zoveel als ik haar minn' haat zy my, ja, noch meer. Vertrekt zy dan?

messala.

O ja, noch dezen dag, mynHeer.

titus.

Ik morr' dieswegens niet. De Hemel hadt befchoren Dat zy regeeren zou.

messala.

Dees Hemel hadt te vóóren Misfchien een beter Ryk haar toegefcbikt dan nu; En, zonderd'oorelog, deestrotfche Raadt, en li... Vergeef het my; breng u haar erfrecht in gedachte; Haar Broeder leeft niet meêr, die 't Roomfche Ryk verwachtte.

Sluiten