Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.Hoofdft.II.Afd. verdeedigd. A85

ontdekt zich klaar, wanneer men flegts een vlugtig oog wendt op het geen vooraf gaat, van het begin des Briefs. Ja het geen in het zelfde Hoofdftuk onmiddellijk voorgaat , leidt ons rechtftreeks tot het zelve. — De Apostel had, in het voorfte gedeelte van deezen Brief, uitvoerig gehandeld over de zondigheid en de ellende van alle menfehen , Jooden zoowel als Heidenen. Hij had bezonderlijk gefprooken van het bederf en de rampzaligheid der menfehen, in hunnen natuurflaat, in het voorig gedeelte van dit Hoofdftuk; vertoonende hen als zon. . daaren , godloozen , vijanden , onderworpen aan Gods toorn, en krachtloos. — Geen wonder, dat dit hem aanleiding geeft, om te onderzoeken, welk de oorzaak was van deezen jammerlijken en deerniswaardigen toefland ; hoe deeze algemeene zondigheid en ellende in de Weereld was gekoomen. En inzonderheid, met opzicht tot de Jooden; die , offehoon zij de Leer der Erfzonde in hunne eigen belijdenis mogten erkennen , nogthans met een fterk vooroordeel ingenoomen waren , tegen het geen dezelve in zich behelsde , of blijkbaar uit dezelve volgde, ten aanzien van zichzelven. In dit opzicht waren zij tegen de Leer der algemeene bedorvenheid en doemfchuld van natuure, grootlijks vooringenoomen, befchouwende zichzelven, als van natuure heilig, en voorwerpen der Godlijke gunst, omdat zij Abrahams kinderen waren. Omtrent hun , heeft de Apostel zich het meeste werk gegeeven , in het voorig ge-,

deel-

Sluiten