Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r 19 ;

Griekfthe vertaaling aanhaalt, en Jood en Heiden opwekt, tot blijdfchap over de beloften Gods, aangaande de zaligheid der" Heidenen.

En wie, die tot de gemeente Gods behoort, verblijdt zich niet, als hij ziet, dat God ook aan hem deeze beloften geeft? Ziet hij tog daarin, dat God hem als zijnen vriend behandelt, daar Hij hem zijne verborgenheden openbaart, en zijne getuigenisfen, van genade voor anderen, aan hem toevertrouwt; zien wij tog in deeze beloften de heerlijkheid onzes Gods in den meer dan overvloedigen rijkdom zijner genade. Moeten wij ons hier .niet verblijden, daar wij, als Heidenen, reeds zo veel genieten van die genade, die God aan Heidenen beloofde — naar het oogmerk Gods nog veel meer genieten kunnen — en eens gemeenfchappelijk met nog veele duizenden genieten zullen? En zal het volk van den Koning der Koningen zich niet verblijden, wanneer het uit zijnen eigenen mond verneemt' dat Hij het maken zal,, dat de, Heidenen, die' Hem nog niet kennen, Hem insgelijks huldigen en dienen? Js de uitbreiding van zijn Koningrijk niet hun groote wensch? hoe moet het hun dan verblijden, wanneer Hij bekend maakt, dat Hij zelf het uitbreiden zal, tot aan het einde der aarde? Buk diep neder, mijne ziele, en aanbidt B a en

Sluiten