Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 123 )

hoofde dier zondige neiging , welke in het Zevende Gebod verbooden is , maar met opzicht tot zijn genoeglijk leven, en de bevoordering zijner tijdlijke belangen. De natuurlijke en zedelijke gebreken zijner Egtgenoote trekken hoe langer zoo meer zijne onvergenoegde opmerking — hij verzuimt te waaken in het gebed — hij vergeet de lesfcn der Evangelifche Zedenkunde, uit het Zesde Gebod ontleend , en , in ftcdc van vriendlijk , befcheiden , geduldig , lijdzaam , toegeevend, infchikkeltjk te zijn, en'met innerlijke beweegingen der barmhartigheid en goedertierenheid te zijn aangedaan, wordt hij geemelijk, onverduldig , misnoegd —- en , zie daar 'den land der Liefde gebrooken! Zie daar de eerfte oorzaak, waar uit verkoeling fpruit ! En zoo draa de zónde hier eene bres gemaakt heeft, loopt ze ftorm — breekt door — neemt ód andere begeerlijkheden in haaren dienst — en maakt eindelijk opftand ook tegen het Zevende Gebod.

f LXXVIII.

' Verder. Gij zult niet begeeren uwes Naasten Huis, noch zijnen Akker, noch zijnen Diensthiecht, noch zijne Dienstmaagd, noch zijnen Os, zijnen Ezel, noch iets dat uwes Naasten is.-—

Hier,

Sluiten