Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5*8

J. EWAID

wie zou niet, bij zulk een fchouwfpel, ten fterkften geroerd worden, door het denkbeeld: „ dezen zijn vleesch „ van mijnen vleefche. Zij fterven, en ik moet ook eenmaal, even als zij, tot de aarde wederkeeren , uit welke ik ben genomen!" En het is indedaad, ten minften, eene dergelijke gewaarwording, welke wij gevoelen, wanneer we ons thands naar buiten begeven. Zien wij hier of daar nog een half groen blad; het worftelt met den dood. Heeft men al een helder uur, een fchoonen dag; zulks is toch niets anders, dan het opgeklaard oog van ftervenden: oogeublikken zeker, die heerlijk voor ieder hart zijn, 't welk 'er een nuttig gebruik van weet te maaken, doch die tevens onze traanen doen vloeien, wanneer wij bedenken, dat zij mooglijk de laatften van ons leeven zijn. Zelfs fchijnt de Natuur ons op te wekken, om menigmaal aan onzen dood te denken; terwijl ieder Herfst ons fchijnt te willen zeggen: ,,gij moet, o mensch! ,, tot de aarde wederkeeren, uit welke gij genomen zijt." —— Laten wij dan in deze onze befchouwing de wenken der Natuure volgen, want god fpreekt ook door haar tot ons harte! Laten wij niet, uit eene al te verre gaande aandoenlijkheid, het oog van een beeldtenis afwenden , welke zich telkens in eene verfchriklijker gedaante aan ons zal vertoonen, hoe minder wij 'er ons aan gewennen; maar laten wij ons in dezen als mannen gedragen, en, zo mooglijk, opfpooren wat de dood zij."

Hier komt, gelyk de Heer Ewald vervolgt, de dood, in den eerften opflag, als iets verfchriklyks, als iets ontzettends , voor; dit wordt wel verzagt, door het denkbeeld , dat flechts het bekleedzel fterft, en dat de mensch zelf blyft voortleeven; dan die enkele bewustheid, daar dezelve omtrent geluk of ongeluk niets beflist, kan ons de vrees voor den dood niet geheel beneemen. Veel gemaklyker valt het te begrypen, dat de dood, door het vooruitzigt op rust, aangenaam kan worden, immers voor

menfchen, die hier een ongelukkig leeven leiden. Dan

'er is nog een verhevener uitzigt, dat het verfchrikkelyke des doods geheel doet verdwynen , waarover hy zich aldus uitlaat.

,, De dood is voor hem, die de Natuur en zijne eigen gefteldheid met een opmerkzaam oog befchouwt, niet flechts een overgang tot een ander, maar ook tot een beter , meer verheven , Leeven een Winter , die de

heerlijke Lente voorafgaat, welke voor de menfchen eenmaal

Sluiten