Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATUUR BESCHOUWER. 5lj>

maal zal aanbreken > eene aflegging van het uitwendige , ftoflijke, bekleedzel, waarin veel verborgen was, en 't geen ons tot mindere bewooners der aarde maakte. Dit bekleedzel is dikwijls fchoon en bekoorlijk; het is vol kenmerken van ons inwendig weezen, en hij, die door hetzelve den inwendigen mensch befchouwt, mist het ongaarne. Ondertusfchen is het altijd een bekleedzel, een fluier over 's menfchen eigenlijke gedaante; en wie zal denzelven misfen, wanneer men het volle gelaat zien kan.

,, Zo veel voortreflijker, als het Kind, naa zijn geboorte, is geworden,'dan het te vooren was, naamlijk een eigen , voor zich zeiven beftaand, weezen , —— zo veel voortreflijker wordt ook de mensch, wanneer hij, door den dood, tot het ander, beter, leeven wordt herboren. Zo veel beter als de koornhalm dan het graankorreltje zelf is, waaruit hij opwaards groeit, zo veel te verhevener is ook de mensch, die verrijst, dan hij, die in de aarde begraven wordt.

„ Waarlijk, het meer verheven leeven, waartoe wij alleen door den dood kunnen herboren worden, is het fterven waardig; het is, in den eigenlijkften zin, een verhevener leeven, een leeven waarbij men ons tegenwoordige niets meer dan dood kan noemen. Ademen is toch nog geen leeven, en een nutteloos leeven, zonder de minfte vreugde, is een langzaame onophoudelijke dood. Wat is waarlijk te leeven anders, dan vermogens te bezitten, om te werken; een hart en vrijheid te hebben, om te genieten ; van alle kanten gevoerd te worden , waar men voor aandoening vatbaar is; en dat wel op zulk eene wijze, dat ieder vezeltje van ons weezen zich vrij en onbelemmerd in die zagtc overeenftemming beweegt, naar welke god de menschlijke natuur heeft ingericht? Wat anders, dan te beminnen en bemind te worden; uit liefde te geven en te ontvangen; te werken en op zich te laten werken, en van alle kanten onbelemmerd aan alles gehecht te zijn, waarop wij in de Schepping de meeste betrekking hebben. Tot zulk een leeven nu wordt de mensch door den dood herboren. Hij klimt door denzelven op tot hooger kracht, tot eene vrijer werkzaamheid, en fnelt naar het oord der hartlijkfte vereeniging,om aldaar,in ongeftoorde liefde, eeuwig te leeven, en haare zalige genoe^ gens onafgebroken te genieten. Wanneer de mensch fterft, dan berst de ruwe bast, waarin zijn geestlijk deel moe^t groeijen, en de rijpe vrucht, om welker wil de boom, ftam , Nna bla-

Sluiten