Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52*

I. G. HUSCHKE

dunkt ons, dat het geval is by eene plaats van tieux» lus, 1, 2, 89, waar het verband, naar onze gedachten , volkomen de fchoone verbetering van van santen vordert:

Vidi ego, quijuvENis miferos rijisfet amantes, Post Venens vinclis fubdere culla sknem :

en waar de Heer huschke de lezing van heyne,

•Vidi-ego, qui juvenum miferos lufisfet amores, Post Venens vinclis fubdere coila fenem ,

door vergelyking met een Epigramma van meleager , tracht te verdedigen.

Wy moeten hier by nog ééfle aanmerking voegen. Schoon propertius en andere oude Latynfche Dichters nog niet zo naauwkeurig met de Grieken vergeleken zyn, of 'er is nog ruime fiof van nalezing voor anderen overgebleven , zo hadt toch de Heer huschke geen regt, om van deze zyne onderneming, als van iets nieuws, te 1'preken, zo als hy op p. 87 doet , waar hy fchryft: „ Hanc eraim interpretationis partem , qua , propter no„ vitatis gratiam, valde me delectari profiteor, hucusque „ nimis ab Editoribus negleclam esfe, non ignoras, &c." Wanneer men alleen de aantekeningen van scaliger naziet (om maar ée'nen ouden uitlegger van propertius te noemen) dan zal men bevinden , dat hy zich byna op iedere bladzyde van plaatzen van Grieken, met hetzelfde oogmerk, bedient. Voorts doet het ons wonder, dat wy in dezen geheelen brief geen gewag gemaakt vinden van de fchoone recenfie van den propertius van burman, in de Bibliotheca Critica, (Vol. II, P. 2, p. 1, & feqq.j geplaatst, vooral daar de Schryver van dezelve niet alleen , met hetzelfde oogmerk als de Heer huschke ,' verfcheidene plaatzen van Grieken met den Romeinfchea Dichter vergeleken, maar ook ééne en andere plaats aangeroerd heeft, dié ook door den Heer huschke behandeld zyn; zo als, Lib. I, Eleg. XX, vs. 37, en verv., waar met regt mede vergeleken is de plaats uit de Hypfipyle van euripides, welke door plutarchus bewaard is, Opp. T. III, p. 93 C. en 661. F, en Lib. I, Eleg. VIII,- vs. 16, waar huschke infejta manu in infefte mari verandert, terwyl de Schryver der genoemde recenfie , die, met eivinejus, infefta manu leest, deze lezing verklaart

Sluiten