Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51* iets over DR altaaren,

noch ook andere Goden, buiten jehova, op hetzelVfi. te offeren* Zoo bouwde ook cideon, tot een Gedenk*" teken zyner behoudenis, een Altaar, welk hy jehova schalom, jehova myn behoeder, (in onze Staaten overzetting, de Heer is vrede) noemde. Ook saul's Altaar moest een dankbaar Gedenkteken , voor de , hem van God verleende, heerlyke overwinning over de Filillynen4 zyn.

Daar de oudfte Hebreeuwen, gelyk alle oude Volken4 hunnen Godsdienst het liefst, of onder fchaduwryke hoornen, gen. XXI: 33, of op de bergen, gewoon waren tc verrichten; kan men gemaklyk denken, dat men hier wel de oudfte Altaaren moet zoeken. Abraham bouwde reeds onder den Eikenboom van Mamre een Altaar gen. XII: 7. XIII 18; daar de Eikenboomen byzonder een hoogen ouderdom bereiken, fchaduwryke plaatzen reeds op zich zelve iets plegtigs en ftaatigs hebben , en voor de Oosterlingen dubbeld fchatbaar zyn , kan men zeer wel begrypen, waarom men hier der Godheid zoo vroeg Altaaren toewydde, en vervolgens in 't gemeen het bosch in zoo hooge waarde, en zoo heilig, hield.

Maar dan bediende men zich ook, in 't begin, van de Bergen, om te offeren, en zynen Godsdienst te verrichten , dewyl men veelligt de Godheid zich hier nader dacht, en zich ten eerlten verhooring beloofde. De Heidenen, ten minften, offerden deswegens byzonder gaarne op bergen, om dat zy waanden, dat de Goden van daar hun gebed het best konden hooren. Noach richtte ten dien einde op den berg Ararat een Altaar op , op welk hy jehova offerde , gen. VIII: 20. Abraham moest op den berg Moria zynen Zoon offeren, en bouwde daar een Altaar, gen. XXII: 1, en volgg. en jakob offerde insgelyks op eenen berg, gen. XXXI: 54. Op den berg Horeb of Sinaï moest, zelfs volgens het uitdruklyk bevel van God, Godsdienftig eerbewys verricht worden, exod. III: 12. Op denzelven wierd ook de Wet gegeeven, en aan deszelfs voet door moses een Altaar opgericht. Ik meene in deze gewoonte der Aartsvaderen over het gemeen veel gevoel voor Gods grootheid en majefteit te ontdekken, en zou ter plegtige vereering van God geea gefchikter plaats weeten dan bergen en hoogten, alwaar

men zich zeiven zoo klein , zoo zwak en nogthans

zoo groot, en van'Godlyken oorfprong, gevoelt; alwaar men de almagt en goedheid des Scheppers , in zoo

me-

Sluiten