Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER. BE GEI/TKHEID , ENZ.

SOS

ten te handhaaven, en op die wyze het algemeene welzyn, het heil des geheelen Volks , op de best mogelyke wyze te bevorderen ; zoo zy hier tegen moedwillig zondigen , fpreekt het van zelf, dat zy uit hunne bedieningen , door het Volk, konnen en moeten gezet worden , tot nut van 't algemeen.

Het woord oppermagt, daar wy nu nog iets van zeggen zullen , is alleen van eene bepaalde betekenis wanneer wy het op Menfchen toepasfen. God alleen is, in eenen ombepaalden zin, oppermagtig; en dan zal Vrymagt en Oppermagt weinig of niet van eikanderen verfchillen. Van menfchen gebruikt, of op menfchen toepast, kan het alleen betekenen de hoogfte magt, of het hoogde gezach, het hoogfte recht dat de eene feilbaare mensch aan den anderen feilbaaren vermag op te dra-

fen. Deeze Oppermagt nu berust by het geheele Volk, of, y overeenkomfte, by de grootfte menigte. Want, fchoon dc meesten geen recht hebben de minften de Wet voor te fchryven", om dat zy de meeste zyn, dewyl dit juist het recht van den langden degen zyn zoude , zoo dient men echtjr vooraf overeen te komen, dat de meeste ftemmen het moeten winnen, of, zoo die gelyk zyn, dat dan het lot befiisfe, dewyl 'er anders nooit, ten minften zeer zelden, eenige zaak ten einde zoude gebragt worden; want het zeer oude Spreekwoord wordt nog fteeds waar bevonden: ,, Zoo veel hoofden, zoo veel zinnen." Dit Volk ftelt zyne Overheden aan, en draagt aan één, of aan weinige , de Oppermagt op, om dat het Volk, als Volk, niet kan regeeren, als uit te veel byzondere perfoonen beftaande. Deeze Overheden . hoe gy ze gelieft te noemen, mogen zich geen meerder magt, recht of gezach, aanmaatigen, dan het Volk hun heeft opgedragen. Het Volk heeft geen recht hun een onbepaald gezach op te dragen, dewyl het zelf niet vrjmagtig is , maar onder de God* lyke Wet ftaat, en aan dezelve is verbonden. Gods Wee alleen moet regeeren , niemand is boven dezelve verheven ; inaar elk, wie hy zy, aan dezelve geheel en al onderworpen. Gods Wet , in het harte van den mensch ingefchreeven, gebied al wat rechtvaardig, al wat billyk, redelyk, welvoeglyk en goed, is, en verbied al het tegenovergeftelde. Vol. gens deeze Wet der Natuure, mag men niet alleen anderen geen onrecht of kwaad doen; maar elk moet, naar zyn vermogen , zoo oprechtlyk het geluk en de welvaart van anderen, als van zichzelven, poogen te bevorderen, Naar deeze algemeene Wet moeten alle byzondere burgerlyke Wetten en overeenkom (Ten in eene Maatfchappy, zal ze gelukkig beftaan, zyn ingericht. Zy allen, die aan de Openbaaring gelooven , weeten, dat al het tot hier toe beweerde, ook in de Gewyde Schriften, herhaalde reizen geleerd en bevestigd

wordt.

Sluiten