Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23^ LAZARUS,

„ en zelfs in dit oogenblik zyt gy my goed. Tot aan „ den rand des grafs, laat gy my een onbedwelmd ver„ Hand . . . om in de wonderen der Schepping uwe „ kragt, uwe wysheid en liefde, op te merken. TJ,

ó Jehovah! verheerlyk ik van geheeler harte die

my zelfs den ingang in het graf zo helder maakt. „ Wie, wat ben ik , ö Heere ! dat gy u zo over my „ ontfermt. Alle myne misdaaden , alle myne itruike„ lingen, zwceven voor myn gezigt, en zulk een zondi-

gen aardworm beweldaadigt gy tot aan den eindpaal „ van zyn leeven. Delg uit, ö ontfermende God ! delg

uit myne zwakheden, zelfs de zonden, die ik uit los„ beid of boosheid mag bedreeven hebben. Laaten die „ my niet uitfluiten uit dat verblyf der geftorvenen, „waar Abraham, Izaa'k en Jacob, aan het hoofd der „ waare geloovigen van alle eeuwen, de byzondere uitvloei„ zeis van uwe goedheid ondervonden. Schoon ik niet „ verdicne in de fchaduw dier heilige mannen te daan, „ altyd heb ik met een warm hart uwe wetten aange,, klcefd , en vooral, naadat uw laatfte Afgezant, de „ groote profeet Jefus , uwe liefdewet my nader heeft „ leeren kennen. — Nog eene bede, ö Jehovah! dien „ Jefus my als mynen Vader heeft leeren kennen, nog „ eene bede van uw ftervend kind. Geef, kan het met „ uwen wil beftaan, geef dan dat myn leven nog zo „ lang gerekt worde, tot dat Jefus , die vriend myner „ ziele, hier gekomen is, en dat hy my de oogen lui„ ke . .. maar niet myne , maar uwe wil gefchiede, ó „ Jehovah! Zo fpreekende, zinkt hy in een verdoovenden „ llaap.'"

Vol van hevige ontroering koomt nu Martha tér kamer invliegen, zich bitter beklaagende dat haar Broeder fterft, zonder haar het laatst vaarwel gezegd te hebben. Maria, hoewel insgelyks diep bedroefd, vermaant haare Zuster tot bedaardheid. Intusfchen ontwaakt Lazarus uit zyne bezwyming, en zegt: „ waar ben ik? 'er z weeven „ wolken voor myn gezigt ... heldere wolken! — Ben „ ik nog op aarde, of bevind ik my reeds in de woon„ plaats der Vaderen? Ik ben nog óp aarde, het logge „ lichaam houdt my nog daaraan vast. Ik hoor myne „ Zuster Martha nog fnikken van droefheid —- en, zo „ ik my niet bedrieg, hoor ik Maria zuchten. — Jaa! „ jaa! daar verdwynen de wolken ... ik zie,.ik zie u,

„ my-

Sluiten