is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene vaderlandsche letter-oefeningen, waarin de boeken en schriften, die dagelyks [...] uitkomen, oordeelkundig [...] verhandeld worden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samenstel van heelkunde, I15

Van welks beursje hy geene byzondere bewerking van nooden beeft, dewyl hy behendig genoeg is, om zyn in het oog binnengebragte Staarmesje, eer hy hetzelve tiaar den binnenkant van het Hoornvlies doet gaan , in den Oogappel binnen te brengen, en dus het beursje, met ■ leene kleine infnyding, te openen.

Na het Volbrengen der konstbewerking laat Pellier geenerleye proeven toe met het Oog, om te weeten, of het gezicht behouden zy , dan niet; maar dekt aanftonds, tot voorkoming van ontfteeking , het geflooten oog met een zagt droog kusfentje, doet den lyder voorzichtig te bed brengen, en met het hoofd een weinig verheven op'den ïug liggen, in welke ligging hy hem, zo veel mogelyk, geduurende de eerfte zes of acht dagen ^ doet blyven. Voorts doet hy, zo 't geitel des lyders het toelaat, eene aderlaating, laat hem een zagten leefregel onderhouden, en geeft hem Heulzap , in herhaalde kleine giften , om «iet door ruimere giften braakzucht te verwekken, welke hy, zowel als het hoesten en niezen, ten hoogden nadeelig befchouwt in deezen toeftand, waarom hy ook het gebruik van Snuiftabak in de eerfte tien of twaalf dagen verbiedt.

Deeze ën de verdere behandeling der Lyders voorkomt doorgaans alle ontfteeking; dan zo die desniettegenftaande verfchynt en geweldig wordt, herhaalt Pellier de Aderlaatingen , en doet bloedzuigers aan de Oogleden zetten. Onder de uitwendige middelen, ter weering van ontfteeking, oordeelt hy niets beter, dan het bekende ftremfel uit Eiwit en Aluin tusfehen twee doekjes aangelegd; terwyl hy, in eene geweldige opzetting der vaten van het Bindvlies, niets kragtdaadiger oordeelt, dan de doorfnyding der opgezwollen bloedvaten, na welke doorgaans de geweldigfte ontfteekingen fpoedig bedaaren.

Behalven veele andere zaaken van aanbelang, tot deeze konstbewerking betrekkelyk, ipreekt de Heer bell zeer uitvoerig over de mogelykheid, of onmogelykheid, om het ontaart beursje1van hét Kristalvocht weg te neemen, waaromtrent by merkelyk van Pellier verfchilt. Doch de kortheid van ons bellek laat niet toe, over deeze en andere «eer gewigtige omftandigheden, tot deeze ftolfe betrekkeïyk, uitvoeriger te fpreeken.

H 3 By