Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gespre k k e n. 337

Adiaphorus.

Volgens dit denkbeeld, Mijn Heer, was het immers onnoodig dat God verzoend wierd. Want, haat God eenen zondaar niet, maar draagt Hij hem zulk eene alles te boven gaande hefde , gelijk gij zegt; waar toe was dan de verzoening noodig?

Philalethes.

Gij zijt al te verftandig, mijn Vriend, dan dat ik zou kunnen gelooven, dat die bedenking uit uw eigen hart voortkomt. Dan het zij zoo 't wil; men ziet er uit, hoe allernoodzaakelijkst het is , dat we , volgens onze voorige aanmerkingen (t) , de Godlijke dingen , ons geopenbaard , wel eigenlijk , als waaragtig en zeker , moeten houden en aanzien', dog dat wij tevens ons zeer zorgvuldig moeten wagten, van de mcnfchelijke taal, waar in ze ons voorgedragen worden , zoo op God toetepasfen, dat ze eenige ongerijmdheid in zig behelzen zouden. Verzoening onderftelt, onder menfehen, en dus in de taal der menfehen, verwijdering, haat, vijandfehap, kwaadwilligheid, en gezindheid om , zoo men kan , het gclceden leed te wreeken. En de verzoening grijpt plaats , wanneer de beleedigde partij , na en door ontvangen voldoening , van eenen vijand in eenen vriend verkeert, zijnen haat en zijne gezindheid

(0 Blz. 2ii-014.

Z 2

Sluiten