Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3+ R. A. TEN BRINK

waardoor hij van droefheid overftelpt was, en niet dan fchrik van rontomuie ondervond, vs. 3, 4.

b. Deels door een vertoog van zijn betamelijk bedrag, m deze bange worftelingen. en zijn hijgend verlangen , dat de Heere het ligt van zijn aangezigte over hem verhellen mogte, vs. 5, 6 : daar hij

1. Voor eerst aantoont, hoe hij zich de vorige dagen herinnert had, en zich bezig gehouden in de overdenkingen van Gods grootmagtige daden, en in 't bijzonder van alle die weegen , die de Heere met zijne kinderen tot eindens Hem heerlijk, inflaat, en hoe 't zijn ernstig voorneemen was , 0111 in Gods grote werken nog dieper in te zien, bijzonder zo als de Heere in alles zijn einde bereikt en dan ook tot lof van God daarvan te fpreeken, vs. 5. *

2. Waarop hij nader toont, hoe hij zich, in ernfhge gebeeden, tot den Heere om hulpe begeeven hadde, en thans zijne ziele, als een dor en dorftig land na den' frisfen reegen verlangt, zoo ook na de blijken van de Godlijke gunst dorftede, vs. 6. Hij befluit dit met het woord fc/ah, 'hier zo veel als een fiotwoord, zijnde eene gebruikelijke verpoozing, wanneer eenige merkwaardige en gewigtige ftoffe was afgedaan, om 'er met diepe opmerkinge bij ftil te ftaan.

R. Wat de tweede fmeekbede betreft, 't Schijnt dat de Heere, die alles fchoon maakt op zijnen tijd, nog van verre Itond, en zich verbergde in deezen tijd van benauwdheid dat de fpreeker op deze eerfte bede nog zo ras geen gehoor kreeg; deze uitgeftelde hoop krenkte zijn harte; zijn geest bezweek, hij was gelijk geworden, aan die geenen, die in den kuil nederdalen, de vijand hield niet op hem te vervolgen, te verbrijzelen, te benauwen; en daarom werpt hij zich op nieuw neder, voor den troon van Gods genade, hij flort zijn harte uit voor des Heeren aangezigte, en laat daarop volgen eene geheele menigte van allerlei reine begeertens, die op malkanderen gehoopt worden, na de bijzondere nooden en onheilen, waarin hij zich bevond ; en die elk op 't nieuw met klemmende redenen worden aangedrongen, vs. 7—12. Wij vinden hier

tf. Eene beede vim den fpreeker, om eene fpoedige verhooring van zijn gebed , uit aanmerking van zijnen hooggaanden nood, vs. 7".

2. Daarop volgen allerlei bijzondere verzoeken. «. Voor eerst, eene afbidding van de verbergihge van Gods aa-rigezigte, van de onttrelddnge van des Mee-

ren

Sluiten