Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lS8

GEBRUIKEN EN ZEDEN

ren, een zwarte wollen Mantel, en eeiüge glazen of zilveren Ringen, die de Vrouwen om de armen en becnen draagen. Indien'er niets van dit alles ontbreekt, is de Huislyke toeftel volkomen. Doch 't geen de armen meest behoeft, en waar in hy het grootfte belang fielt, is de Merrie: want dit Dier ftrekt ten fterkften fteun des Huisgezins. De Bedot/in trekt met zyn Merrie tegen de vyandlyke Stammen tè velde, of gaat op buit uit, in land en langs de wegen. Zy geeven de voorkeuze aan een Merrie'boven een Paard; dewyl zy niet hinnikt, beftuurbaarder is, en melk geeft, die , nu en dan , den dorst en zelfs den honger des Meesters ftilt.

In deezer voege, tot de volflrektfte noodwendigheden des leevens bepaald, vindt men by de Arabieren zo weinig vlytbetoons als hunne behoeften weinig zyn : alle hunne Kunften beftaan in het weeven van grof doek, en het maaken van matten, en boter. Hunne geheele Koophandel bepaalt zich tot het verruilen van Kameelen , eenig Vee cnMclk, voor Wapenen , Kleedercn , een weinig Ryst of Kooren , en Geld , 't welk zy begraaven. Zy zyn van alle kennis der Weetenfchappen ontbloot, en hebben geen het minfte denkbeeld van Starrekunde, Wiskunde, of Geneeskunde. Zy bezitten geen enkel Boek, en niets is ongemeener onder de Shaiks, èzn dat zy kunnen leezen. Al hunne Letterkunde (mag ze dien naam draagen,) beftaat in het opnaaien van Vertellingen en Historiën, op de wyze der Arabifche Nachtvertellingen , (op deeze zyn ze zeer gefield, en befteedert hunne meeste ledige uuren, en die hebben zy veelvuldig,) in dezelve op te haaien, 's Avonds zitten zy neder aan de deur hunner tenten, of daar in by 't vuur, met de beenen kruislings, en de pypen in den mond, eenigen tyd in een diep ftilzwygen, tot dat een hunner die ftilte fchielyk afbreekt, met aan te vangen, Op zekeren tyd-—. Het begin eener vertelling der Lotgevallen van een jongen Shaik, en een lief Bedouintje.

Hy verhaalt -, dit is het doorgaande beloop dier Vertelliimen, op welk een wyze de Jongeling, eerst fteelswyze, hetT geziat kreeg van zyne Zielsvoogdes, hoe hy fmoorlyk op haar"verliefd werd; tot de minfte byzonderheid befchryft hy de Schooue, roemt haar zwarte oogen, zo o-root en zagt als die van eene Gazelle, haar kwyncnde cn kwetzende lonken, baar net geboogde wenkbraauwen, eelvkende naar twee ebbenhouten boogjes ; haar middel, & J recht

Sluiten